Intervieuw

Dr. Prof. Serge Wich

Waarom vind je het congres belangrijk?

Ik vind het belangrijk om tijdens het congres te laten zien aan studenten wat methodes zijn in de biologie die innovatief zijn. Om studenten te laten zien hoe je op methoden komt, zodat studenten in hun carrière deze kennis kunnen toepassen en vernieuwende onderzoeken kunnen doen.

 

Wat hoop je bij te dragen/overbrengen op het congres? Wat zou je willen meegeven aan studenten?

Het belangrijkste dat ik wil overbrengen met mijn speech op het congres is dat we als onderzoeker altijd goed moeten kijken naar andere velden, om te kijken of daar technieken zijn die we kunnen gebruiken in het veld waarin we zelf werken. Aan deze technieken moeten we goed onderzoek doen om zo efficiënt en accuraat mogelijk gegevens op te halen. In mijn geval voor natuurbescherming en biologisch onderzoek, maar het geldt voor alle velden. Doordat we als onderzoekers vaak zeer druk en gespecialiseerd zijn en universiteiten samenwerking tussen faculteiten niet actief stimuleren, is het voor innovatie in wetenschap extra belangrijk dat we zelf buiten ons eigen veld kijken.

 

Werkt u veel tussen verschillende faculteiten?

Ja, dat doe ik wel. Dit is niet vanuit de universiteit georganiseerd maar meer omdat ik toevallig met mensen praat die op andere faculteiten werken, zo begint een samenwerking. De ene onderzoeker is bijvoorbeeld toevallig mijn buurman en de andere vloog radiografische vliegtuigjes. Deze samenwerking zou vanuit universiteiten meer op gang gezet mogen worden. Zo kan voorkomen worden dat we aan een probleem gaan werken dat een andere groep allang heeft opgelost met  algoritmes.

 

Waarom doe je het onderzoek dat je doet?

Ik ben als gedragsbioloog ooit begonnen met onderzoek in Indonesië aan Orang-oetangs en andere apen. En daar zag ik dat het bos omgekapt werd en dat er jacht was. Daardoor ben ik me gaan inzetten voor onderzoek over natuurbescherming. Ik verzamelde hiervoor gegevens zoals waar dieren zitten en hoeveel dieren er zijn. En ik onderzocht wat voor technieken we nodig hebben. Toen ben ik gaan nadenken over drones en hoe we drones kunnen toepassen voor natuurbescherming.

 

U heeft laatst met uw onderzoeksgroep een ontzettend leuke ontdekking gedaan: de nieuwe Orang-oetang soort. Zou u daar wat meer over kunnen vertellen?

Kunt u ons vertellen over de nieuwe Orang-oetang soort die u met uw team gevonden heeft?

Ja, het was ten eerste natuurlijk heel erg leuk en bijzonder om deel te zijn van een groep die dat voor elkaar krijgt. Het was eigenlijk een heel lang proces van 20 jaar onderzoek nadat de populatie Orang-oetangs ontdekt werd door wetenschappers. We hebben gegevens opgehaald over waar ze zitten en hoeveel individuen er zijn, over hun gedrag, genetica en morfologie. Alle andere Orang-oetang populaties zijn onderzocht, om een accurate vergelijking te maken. Dat alles bij elkaar heeft tot deze publicatie geleid. Hierbij waren hele grote groepen wetenschappers nodig, waaronder bijvoorbeeld genetici, ecologen en mensen die aan morfologie werken. We hadden niet verwacht dat dit een nieuwe soort zou zijn natuurlijk! Het was niet een onderzoek met dit als hypothese, maar de gegevens van verschillende onderzoeksgebieden over 20 jaar onderzoek samen wezen erop. En toen bleek het waar te zijn. Daarom is het belangrijk om als jonge wetenschapper zo snel mogelijk breed kijken naar waar andere gebieden van kennis zijn die je kunt gebruiken om bepaalde dingen te onderzoeken.

 

Wat hoop je over 5 à 10 jaar bereikt te hebben?

In die tijd zou ik nog meer willen doen aan het integreren van slimme technologie in natuurbeschermingsonderzoek. Veel mensen zijn bezig met biologisch onderzoek, maar het is lastig om  goed samen te werken met mensen die de nodige technologie ontwerpen (elektronici, computerdeskundigen), omdat zij in hun vakgebied vaak bezig zijn met hele andere vraagstukken, en niet met natuurbeschermingsproblemen.

Wat ik heel graag zou willen doen is meer werken in multidisciplinaire groepen waarin samenwerking plaats vindt tussen biologen, mensen die werken aan computer vision, mensen die sensoren of drones of microfoons ontwerpen. En dat zo’n groep heel efficiënt bezig kan zijn om dingen te ontwikkelen die zo handig mogelijk gegevens ophalen op een zo slim mogelijke manier, voor zo min mogelijk geld, om zo veel mogelijk te betekenen voor natuurbescherming.

 

Welke technologiën denkt u dat er hiervoor in de toekomst toegepast kunnen worden?

Er wordt allerlei apparatuur gebruikt. Er zijn camera’s die automatisch foto’s nemen en microfoons die in bossen geplaatst worden, er vliegen drones over bossen, sensoren in de grond die registreren of er een auto overheen rijdt of dat er mensen of dieren lopen. Deze technieken zijn niet met elkaar verbonden. Er is nog geen geïntegreerd sensorisch netwerk om natuurparken te monitoren. Ik denk dat daar heel veel mooi werk aan te doen is.

Zo’n sensorisch netwerk kan eerst ontworpen wordt in een land met goede infrastructuur zoals Nederland, en getest worden op plekken zoals de hoge Veluwe, om vervolgens in Afrika of Indonesië getest te worden in natuurparken. Er zijn organisaties die werken aan dit concept, het heet Smart Parks. Ik vind het heel leuk om daar meer over na te denken en ik hoop daarnaartoe te werken.